Jeugdzorg

Adviseurs van ED werken in de jeugdhulp, zowel ambulant, als de interne jeugdhulp en in de relatie tussen onderwijs en zorginstelling.

Wij werken met medewerkers en behandelaren uit het primair proces en ook met management en directie en de interne dienstverlening. Dat doen we als adviseur en ook in diverse management- en directiefuncties ad interim.

Your Title Goes Here

Hier vatten we enkele lessons learned samen in kleine cursiefjes

Het verstaan van de jongere en de noodzaak tot eigen reflectie

Het hoofd Behandeling in een jeugdinstelling praat voor een groep jonge behandelaren. Ze gaat in op de interactie met de cliënten en de noodzaak om daar dan weer met collega's opte reflecteren. 

‘Werken met en vanuit de jongere is een apart vak. Veel gebeurt langs ondoorzichtige processen van aantrekking en afstoting. En dat wordt versterkt doordat jongeren, die in moeilijkheden verkeren, zich in relatie tot hun omgeving vaak niet goed verstaan. Dan wordt het belangrijk dat je luistert en daarbij tegelijk kijkt naar wat iemand doet als die wat zegt. Juist omdat hier overeenkomst en verschil veelzeggend kunnen zijn. Wees attent op hoe emoties het denken kunnen sturen en het spreken erover ongemakkelijk maken. Hou jezelf scherp daarop. En reflecteer erover met je collega's. Hou elkaar scherp!’ 

Behandelaren werken vaak in hun eentje. En dat wordt het extra van belang om te reflecteren. Met collega's de dingen expliciet maken. Dat is nodig om niet terug te vallen op de eigen routines en overtuigingen of onzekerheden. Het is belangrijk om je attentie in je dagelijks handelen door te trekken naar de reflectie erover. Hoe systematisch heb je die reflectie ingebouwd?

Als je alleen werkt, dan werk je half

De driehoek tussen behandelaar, jongere cliënt en begeleider

Een jongere dwaalt over het terrein van de instelling. Ze kan geen kant op met zichzelf. Radeloos is ze. In het gebouw is een begeleider op zoek naar haar, bezorgd. Ze is al zo’n tijd zo, in de war, zwijgend. Hij is bang dat ze psychotisch kan raken. Heeft ze haar medicijnen wel ingenomen? Hij wil haar gaan zoeken, maar hij kan nu niet weg.  

’s Avonds is er geschreeuw. Brekend glas. De jongere ligt in elkaar gedoken op het bed. De spiegel is gebroken. De begeleider staat er verslagen bij. Vervolgens lukt het de begeleider niet de behandelaar te pakken te krijgen. Hij belt met een collega. Hij gaat proberen een kalmeringsmiddel te geven.  

De volgende dag lukt het de begeleider om de behandelaar ‘s middags even te spreken. Hij voelt de druk. En dat is nog niets vergeleken met wat de jongere voelt, vreest hij. Er is behandeling nodig. Daarvan is nu veel te weinig. Hij wil proberen de behandelaar in positie te brengen. Maar dat lukt niet zomaar, die heeft nauwelijks tijd. Hij besluit de manager te bellen. Hier moet over worden gepraat en snel ook!  

Aan dit voorbeeld valt af te lezen hoe belangrijk de driehoek tussen behandelaar, cliënt en begeleider is. Die kan niet worden teruggebracht tot enkel de relatie tussen cliënt en begeleider. Het draait om de combinatie van specialistische kennis en begeleiding, beide zijn broodnodig.  

The end is never the end. The end is never the end. The end is never the end. The end is never the end. The end is never the end. The end is never the end. The end is never the end. The end is never the end. The end is never the end. The end is never the end. The end is never the end. The end is never the end. The end is never the end. The end is never the end. The end is never the end. The end is never the end. The end is never the end. The end is never the end. The end is never the end. The end is never the end. The end is never the end. The end is never the end. The end is never the end. The end is never the end. The end is never the end. The end is never the end. The end is never the end. The end is never the end. The end is never the end. The end is never the end.

De rol van de manager: inrichting van de processen

De dingen gaan niet vanzelf goed. Behandelaren hebben het druk, begeleiders ook en dat geldt net zo voor de dienstverleners. Als dat de situatie is, dan is er werk aan de winkel voor de manager. 

Waar je het allemaal voor doet zijn de jonge cliënten. Om verder te komen zijn zij afhankelijk van de gecoördineerde inzet van de kennis en vaardigheden door de zorgverleners. Goed gewogen, op maat en vanuit de behoefte van de jongere cliënt zelf.  

Om wat de jongere nodig heeft goed te duiden, is het contact met de jongere zelf nodig. Om daar gevolg aan te geven, zijn zowel de kennis van de behandelaar, als de praktische ervaring van de begeleider nodig. En om beide goed aan te kunnen wenden, is op zijn beurt de manager nodig om daarvoor de procesruimte te creëren. 

Zijn er voldoende momenten om de kennis van de behandelaar en de praktische ervaring van de begeleider met elkaar te ‘kruisen’. Opdat beiden er verrijkt uitkomen en de inzichten die daaruit ontstaan de jongere ten goede kunnen komen. De manager is er, om de voorwaarden voor dat soort van reflectie (focus en regelmaat) goed te organiseren. 

Elke driehoek is een proces, elk proces is een driehoek

Onderwijs en zorg

Het kan voorkomen dat een jongere bij het volgen van onderwijs extra ondersteuning nodig heeft. Dat kan te maken hebben met minder ontwikkelde vaardigheden. Het kan ook te maken hebben met meervoudige en dus psychologisch-mentale problematiek. Dan komt het aan op de relatie tussen het onderwijskundig specialisme en het zorgspecialisme.  

In veel gevallen is die relatie in de praktijk onvoldoende ontwikkeld. De twee werelden van onderwijs en zorg functioneren te veel op zichzelf. Op het moment dat de jongere de deur uitgaat, is ie weg en dat geldt omgekeerd ook voor het onderwijs. Dan is het van belang om opnieuw te verbinden en die verbinding praktisch te maken.  

De docent en de behandelaar hoeven elkaars werk niet te doen, Het specialistisch contact tussen docent en behandelaar en tussen docent en begeleider moet over en weer worden gelegd. Opdat beiden wat aan elkaars kennis hebben en ze de eigen werkwijze daarop kunnen aanpassen. De persoonlijk begeleider zou hierbij een verbindende rol mogen spelen. ‘Monitoring’ is immers belangrijk. Daarvoor is de relatie tussen persoonlijk begeleider en behandelaar dan weer belangrijk.

Hier is desgewenst nog ruimte voor nog een cursief

DIT IS EEN DUMMY TEKST: In de interne zorg voor mensen met een beperking bestaat de regieketen uit de arts (AVG), de (regie-) behandelaar en de manager. De manager wordt daarbij geacht de werkrelatie tussen arts en behandelaar te ondersteunen en doet dat mede vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de inrichting van de processen.  

De situatie: de arts en de regiebehandelaar hebben al een tijdje geen contact gehad. En dat leidt op de werkvloer tot gesprek tussen begeleiders en de coördinator. Zij vragen zich af of de regiebehandelaar voldoende op de hoogte is van de behandeling die de arts voorschrijft, ze maken zich zorgen. Niet alleen vanuit het oogpunt van deze cliënt, maar ook omdat zij ervan uit moeten kunnen gaan dat de communicatie tussen arts en behandelaar goed is, anders kunnen ze nietwerken.  

De arts en de behandelaar zijn echter slecht te bereiken, dus neemt de coördinator contact op met de manager. Die herkent dat wel, ze zijn voor hem ook nauwelijks bereikbaar. Hij gaat er gelijk achteraan, besluit niet meer te mailen of bellenen pakt de fiets om naar het gebouw te gaan, waar vanuit de behandelaren werken.  

Het is belangrijk dat je ‘bovenin’ in verbinding bent, omdat je moet kunnen sturen op de processen die je op de werkvloer wilt zien. En bovendien moeten in die processen, de begeleiders weten waar ze aan toe zijn. Wanneer je als ‘leidinggevenden’ onderling niet goed communiceert, dan doe je dat met de medewerkers ook niet. En dan blijf je verstoken van informatie. Maar daarvoor zijn de processen met deze cliënten veel te gevoelig. Die moeten actief worden gevolgd, juist vanwege het verband tussen somatische en psychosomatische klachten.